Hoe tuig je een vaste hengel op. ls je niet vist moet
je er altijd voor zorgen dat het tuig netjes om een
tuigenplankje of rekje gewonden zit. De haak komt altijd
als eerste op het rekje. Dus wanneer je de lijn om het
rekje gaat winden doe je de haak er het eerst omheen. Je
gaat het snoer dus winden. Na het haakje komen de
loodjes, daarna de dobber. Koop het rekje altijd zo
groot dat de dobber er goed tussen past. Het rek moet
dus langer zijn dan de dobber. Maak het tuig altijd
langer dan de hengel. Niet dat je al dat snoer in een
keer nodig hebt, maar wanneer je voldoende lijn hebt en
een grote vis breekt er onverhoeds een stuk af, dan hoef
je niet meteen een nieuw tuig te maken of te kopen.
Aan het eind van de lijn komt een lusje. Zoals we al
eerder vertelde horen op de top van de hengel twee van
die haakjes te zitten die we kikkertjes noemen (tekening
1 ). Door het lusje van de lijn achter het onderste
kikkertje te haken is het nu mogelijk om de lijn om de
kikkertjes te winden. Als het goed is moed er op de lijn
een stukje rubber of een siliconenslang zijn geschoven
dat precies om het topeind past. Wanneer het snoer
de juiste lengte heeft om mee te vissen (nooit langer
dan de hengel) draai je het een paar keer om de top,
zoals je op tekening 2 kunt zien, waarna je het stukje
slang om de top van de hengel schuift. De lijn zit nu
vast en er kan gevist worden. Wil je de lijn eventueel
korter of langer maken dan haal je het rubbertje er weer
af, je draait de lijn weer van de top en je haalt hem
vervolgens een paar slagen van de kikkertjes of je
draait hem er juist iets verder omheen. Daarna weer er
omheen draaien, het rubbertje erop en klaar is Kees. Hou
je op met vissen, dan de lijn met de dobber, loodjes en
haak weer om het tuigrekje winden en denk er om: de haak
eerst.
Peilen Aangezien je niet onder water kan
kijken weet je natuurlijk niet waar de vissen zwemmen.
Meestal vind je de grote vlak bij de bodem en zwemmen de
kleintjes vaak een eindje daarboven. Door de dobber
omhoog of juist omlaag te schuiven kan je bepalen hoe
diep het aas komt te hangen. Er bestaan speciale
peilloodjes waarmee je kunt peilen hoe diep het water
is. Een peilloodje is zo zwaar dat je dobber zinkt als
je het aan de haak doet. De dobber schuif je dan steeds
verder omhoog tot hij met het puntje boven water komt.
Als je nu het loodje weer van de haak haalt en er aas
aan doet dan weet je dat het aas op de bodem ligt. |

 |
|
|